Mijn eerste auto was een Fiat 128 uit 1978. Het was een olijfgroene en te lelijk om aan te pakken. Maar goed, ik had hem gekregen van mijn broer, die deze weer gekregen had van mijn ouders als zijn eerste auto. Mij hoorde je dus niet klagen maar cool was anders.

Een echte Fiat

Ik zag hem als een echte Fiat maar voor anderen hing er toch een beetje een Oostblok luchtje aan de 128. Het ding werd namelijk ook in het voormalige Joegoslavië geproduceerd onder de naam Zastava, en daar gingen in de jaren tachtig heel wat gezinnen op vakantie. Gianni Agnelli, de toenmalig directeur van het Fiat-concern, was altijd al een ster in het verkopen van ontwerpen die in West-Europa niet meer zo hard liepen. Denk aan Seat, Lada, Zastava. Allemaal Fiat klonen. De markten van toen waren zo gescheiden dat niemand daar van opkeek.

De Fiat 600 van Peter Arno Broer

Fiat 600

Na een jaar kon ik een prachtige Fiat 600 voor 500 gulden kopen. En werd de 128 verkocht. Het was helaas niet een duurdere snelle Abarth versie, zeer zeker niet, maar een standaard 600.  Anders was de prijs ook een hele andere geweest. Het eerste wat ik deed was het motorblok van de 600 vervangen voor een 850-blok. Die paste er namelijk net in. De Fiat 850 had, dat raad je waarschijnlijk al, meer vermogen en was technische bijna hetzelfde. Daarna schroefde ik er echte racestoeltjes, voor de zijdelingse steun, in. Nog een setje lichtmetalen velgen erop, een afgedraaid vliegwiel en een sportuitlaat van een 850 sport en het ding ging als de brandweer. Ook haalde ik de bumpers eraf omdat hij dan meer op een Abarth ging lijken…

5000 kilometer

Toen werd het zomer, en bedacht ik samen met een vriend dat we die acht weken zomervakantie maar voor een groot deel moesten gaan gebruiken om de Fiat door Europa te gaan beproeven. De route voerde ons door België, Frankrijk, Italië, Oostenrijk en Duitsland. In totaal meer dan 5000 kilometer, met eigenlijk geen problemen.

We hadden kennis gemaakt met de Franse meisjes en nu dachten we Italië te gaan ontdekken. Bij de grens aangekomen keken we niet in de ogen van Italiaanse schonen maar in de donkere brillenglazen van twee douanebeambten, of we nog iets aan te geven hadden. Nou, zei ik spottend ‘2 kilo marihuana’.

Koosnaam van de Fiat 600: 'Rugzakje'

Even was het stil. Toen hervond de man zich en wees met een strenge vinger naar een lege plek op het warme asfalt. Wij moesten uit ons krappe rugzakje (koosnaam voor de 600, niet te verwarren met de 500 die ‘bolletje’ werd genoemd). De witte 600 moest zich overal laten betasten door de twee Italianen met zonnebril. Daarna moest het rugzakje zelfs een Duitse herder in haar binnenste toelaten. Het was een schanddaad.

Maar toen de uniformen bij de motorruimte waren aangekomen ontstond er een kleine lach op de hun lippen. De heren ontdooiden nog wat en vroegen hardop af wat we aan de motor hadden gedaan. Ik mocht nu eindelijk dichterbij komen en in mijn beste Engels uitleggen hoe ik de 600 had gemodificeerd. De lach van de mannen werd steeds breder en luider. Ik voelde me aangespoord er nog meer over te vertellen en al snel hadden we het over de mooie/simpele techniek van deze Fiat en hoe superieur die was aan al die buitenlandse auto’s.

'Welkom in Italië'

Een klap op mijn schouder, het zweet droogde wat op, en met uitgestoken hand verwelkomde de hoofdzonnebril ons in Italië. Klam namen we weer plaats op het skaileder en wuifden de heren na. Ze hebben nooit geweten dat het eigenlijk een Seat was met Fiat plaatjes…